https://geng.nl/inspiratie/interview-met-christiaan-hintzen/
Günther + Van Grinsven

Interview met Christiaan Hintzen - Grupo SOS

"Ik zou natuurlijk alsnog voor mezelf kunnen beginnen met autoreparaties."
Interview met Christiaan Hintzen
Regiodirecteur West Europa  Grupo SOS, oktober 2010

Evelyn Günther is columniste van FoodPersonality en wisselt de rubriek maandelijks met Josceline Bogaers. Evelyn interviewt directieleden en senior managers uit de FMCG over hun visie op leiderschap, hun dromen en hun ergernissen. Dit keer: Christiaan Hintzen, regiodirecteur West-Europa Grupo SOS.

 

Na twintig jaar Heineken ga je in 2008 naar Grupo SOS. Was het moeilijk om van Heineken los te komen?
Ja. Het was lastig om die warme mantel af te doen en in een heel nieuw avontuur te stappen; een grote stap, vanuit dat gevestigde Heineken naar een speler die nog veel op te bouwen heeft. Ik kreeg meer verantwoordelijkheid en op veel meer terreinen dan bij Heineken. Na de overname van Bertolli is dat gelukkig wel verkleind van heel Europa naar alleen West-Europa en het zuiden. Voor dat gebied ben ik nu verantwoordelijk voor de totale organisatie; van productie tot en met verkoop.

 

Waarom ben je bij Heineken weggegaan?
Ik heb twaalf jaar voor Heineken in het buitenland gewerkt en werd daarna consultant op het hoofdkantoor. Wel interessant, maar het bood me te weinig. Ik wilde weer de business in, maar dan had ik naar het buitenland of naar Heineken Nederland moeten gaan en dat wilde ik niet. Toen heeft Grupo SOS me gevraagd. Het bedrijf is Spaans, dat sprak me aan. Van mijn zevende tot mijn veertiende heb ik in Zuid-Amerika gewoond en ik spreek vloeiend Spaans. En het bedrijf heeft mooie merken.

 

Je hebt bij Heineken zowel sales als marketing gedaan. Als je jezelf een signatuur zou moeten geven…
Uiteindelijk sales. Marketing is een mooi vak, maar in de praktijk wordt er te weinig naar de commerciële resultaten gekeken. Je kunt best een initiatief hebben bedacht dat in marketingopzicht geslaagd is, maar dat voor het merk niet goed werkt of geen volume behaalt. Er is een natuurlijk spanningsveld tussen marketing en verkoop. Een marketeer is bezig met iets moois, een verkoper met iets nuttigs. De marketeer kijkt naar de consument en de verkoper kijkt naar zijn klant, de retailer. Marketing vindt de retail vaak een lastig doorgeefluik. Daarom ben ik meer salesgericht.

 

Jullie hebben Lassie, Carbonell en Bertolli nu.
Ja, dat zijn onze drie hoofdmerken nu. Voor de meeste markten hadden we één groot merk, maar sinds de integratie van Bertolli schakelen we over naar een portfoliostrategie. Bertolli was wel overal aanwezig. In Nederland moeten we met die merken nog iets meer doen. Ze horen complementair aan elkaar te zijn. Bertolli richt zich meer op life style en Carbonell is meer een no-nonsensemerk.

 

Hoe groot is jullie aandeel?
Wereldwijd hebben we 23% van de totale hoeveelheid aan gebottelde olijfolie in handen, inclusief de huismerken. Dat is veel, maar we maken er veel te weinig gebruik van. Private label is onze grootste concurrent. In Nederland heeft private label zo’n 65% van de totale markt, maar 80% van de merken komt bij ons vandaan.

 

Wat ben je nu van plan?
We willen onze merken meer bestaansrecht geven. Sinds ik regiomanager van West-Europa en director general geworden ben, is ons team zelfstandiger ten opzichte van het hoofdkantoor in Spanje en kunnen we ineens veel meer veranderen. Met rijst willen we meer innoveren: meer gebruiksmomenten creëren en beter bij de trends van gezond en gemak aanhaken. Lassie moet meer gezicht krijgen. Wat olijfolie betreft, willen we meer aan de consument uitleggen. Veel consumenten weten niet hoe ze olijfolie het beste kunnen gebruiken en staan verloren voor het schap. Ze moeten een keus maken tussen ‘gewone’ olijfolie en extra virgine. Extra virgine is er voor koude toepassingen, zoals salades, dressings en sauzen, en wordt verkregen met een eerste persing, daar gebeurt verder niets mee. Gewone olijfolie wordt gemaakt van olijven die op de grond zijn gevallen en wel goed zijn, maar niet snel genoeg geoogst zijn. De smaak is niet goed. Daarom wordt de olie geraffineerd, zodat er geen smaak of kleur overblijft. En er wordt een beetje extra virgine aan toegevoegd. Met die ‘gewone’ olijfolie kun je het beste bakken en braden. Dat is gezonder dan met boter, zoals Nederlanders veel doen. Wij beginnen nu met het scheiden in het schap, van olijfolie voor koud gebruik en warm gebruik: een groene strook voor extra virgine en een rode voor de gewone olijfolie. Later volgen dan wel de andere smaken, toepassingen en recepten. En het komt op de flessen te staan.

 

Je hebt twaalf jaar in het buitenland gewerkt. Wat vind je nu van de Nederlandse handel?
Vroeger verschilden de formules en ook de winkels binnen een formule meer van elkaar. Nu is de markt meer een eenheidsworst, jammer eigenlijk.

 

Zou je het anders doen als hoofd van een supermarktketen?
Ja, ik zou toch wat meer proberen te differentiëren. In assortiment bijvoorbeeld moet dat kunnen.

 

Ben je al lid van een van de Nederlandse foodnetwerken?
Nog niet genoeg. Ik zit nu wel bij het platform ‘Retail advies’ van Erik Hemmes, een prettig netwerkclubje voor mij. Momenteel gaat mijn aandacht echter vooral uit naar Spanje, Duitsland en Engeland. In Nederland hebben we een goed team, vandaar. Ik denk dat ik er maar 30% van mijn tijd aan besteed.

 

En contact met je handelspartners?
Ik heb dat afgehouden. Als je te veel met de sales manager mee gaat, gaat de klant naar jou bellen als er echt belangrijke dingen zijn. Dan maai je het gras voor de voeten van je sales manager weg. Vervolgens gaat hij of zij dan ook meer afstand nemen. Voor je het weet ziet de klant de sales manager niet meer als volwaardige gesprekspartner. Daarom houd ik wat afstand, zeker ook omdat de vorige baas te vaak met onze sales manager meeging.

 

Wat voor boodschap heb jij voor retailers?
 Dat ze A-merken meer zouden moeten koesteren, omdat die hun private label bestaansrecht geven. Alleen in vergelijking met merken valt het op dat private label goedkoper is. Bovendien nemen fabrikanten van merken de verantwoordelijkheid om de categorie verder te ontwikkelen.

 

Hoe is je balans tussen werk en privé?
Mijn vrouw en ik hebben drie kinderen. De oudste is achttien en gaat studeren, de tweede zit in de vijfde en de jongste in de derde klas. We wonen in Heino, een dorp bij Zwolle. Dat was niet onze planning, maar toen we uit Zweden kwamen, moesten we ergens naartoe. Mijn schoonouders hadden daar een boerderijtje, waar we ‘anti-kraak’ zijn gaan wonen. Daarna zijn we er blijven hangen. Elke dag reis ik met de trein naar Wormerveer, tweeënhalf uur heen en dan weer terug. Ik hou van oude auto’s en autorijden vind ik leuk, maar in de trein kan ik fijn doorwerken.

Wat een lange reistijd! Wat drijft jou voort dat je dagelijks vijf uur reizen voor je baan overhebt?
De passie voor onze producten. Ik zie dat daar wat van te maken is. Rijst vind ik een heel interessant product. Het is een beetje een ondergeschoven kindje, maar het is heel gezond en er zijn veel goede recepten en maaltijden van te maken. Olijfolie is ook gezond, maar het staat in West- Europa pas in de kinderschoenen.

 

Wat zijn je persoonlijke pluspunten?
Communicatie vind ik de belangrijkste. Ik kan goed met mensen omgaan. Ik probeer de tijd voor mensen te nemen en naar ze te luisteren. Het is mooi om de mensen in je team bij hun carrière te helpen.

 

In die twintig jaar Heineken ben je niet in de raad van het bestuur gekomen. Waar ligt dat aan?
Tja, andere mensen waren beter. Daarnaast ben ik wat bescheiden, denk ik.

 

Uit wat voor gezin kom je?
Mijn vader werkte bij Philips. Hij was directeur van een lampenfabriek en deed de technische kant. Daarmee zijn we rondgereisd. Ik ben geboren in Vlissingen, ben toen verhuisd naar Valkenswaard, vervolgens naar Schotland en Argentinië. Op mijn veertiende ben ik teruggekomen in Nederland. Dat was wel wennen, hoor. Natuurlijk moest ik mijn Nederlands bijspijkeren. Met mijn ouders sprak ik wel Nederlands, maar als het moeilijk werd, ging ik over op Spaans of Engels. Maar ook met andere vakken had ik problemen. Ik was niet zo’n studiebol, was veel meer bezig met mijn handen: eerst met fietsen, toen brommertjes, motorfietsen, motors en auto’s. Toen ik ging studeren, wilde ik weg uit Nederland en heb ik in Antwerpen de European University gedaan.

 

Als je niet in de foodbusiness was gaan werken, wat had je dan willen doen?
 Vroeger wilde ik arts worden omdat ik van mensen hield, maar daarvoor moest ik lang studeren. Iets in de autobranche, automanagement bijvoorbeeld, had ik ook leuk gevonden. Ik repareerde vroeger eenden in de tuin van mijn ouders. Dat liep best goed, ik vroeg steevast de helft van wat de garage rekende.

 

Wat zou je nu nog graag willen?
Met mijn vrouw heb ik het er wel eens over om weer terug naar Zweden te gaan, want daar beviel het ons wel, maar dan moeten onze kinderen eerst het huis uit zijn en ik heb het bij Grupo SOS naar mijn zin nu. Ik zou natuurlijk alsnog voor mezelf kunnen beginnen met autoreparaties, maar dat vind ik niet zo leuk als mijn huidige werk.

 

Werkt je vrouw ook?
Ja, ze is fysiotherapeut en doet vrijwilligerswerk in het ziekenhuis. Dan gaat ze met oudere mensen wandelen.

 

Heb je nog tijd voor hobby’s?
Het boerderijtje van mijn schoonouders bestaat nog en daar doe ik geregeld de tuin. En ik speel elke zondag hockey. Ik ben nog een jaar coach geweest van het elftal van mijn dochter. Verder probeer ik vooral wat meer tijd bij mijn vrouw en onze kinderen te zijn, om huiswerk te overhoren bijvoorbeeld. Eigenlijk is vrijdag mijn thuiswerkdag, maar dat is me in de twee jaar dat ik bij Grupo SOS werk, maar drie keer gelukt. Gelukkig ben ik dan wel om zes of zeven uur ’s avonds thuis, in plaats van half negen zoals anders.

 

Missen ze je thuis niet een beetje?
Ja, vooral van mijn zoon  krijg ik wel eens commentaar.

© 2018 Günther + Van Grinsven - Dorpsstraat 74 3732 HK De Bilt - info@geng.nl - 030 63 509 63